Help mee! Maak een account en maak WikiKids beter!

Bodem in Nederland

Uit Wikikids
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De bodem in Nederland is een mengsel van zand, grind, klei en plantenresten die de aardkorst bedekt. In deze laag groeien de planten en bomen. Het bestuderen van de bodem is een aardwetenschap.

Bodemprofiel

Het ontstaan

Een bodem is altijd aan het veranderen. Dit komt doordat regen, zon, plantenwortels en gravende dieren in de grond dringen. Deze dringen zich wel tot 1,5 meter diep in de grond. Hierdoor ontstaat een bodem. Een bodem bestaat uit allerlei verschillende laagjes. Deze laagjes noemen we horizonten. Op verschillende plekken zien deze horizonten in de grond er verschillend uit. Dit komt doordat er niet overal de zelfde bomen en planten groeien, het verschillend is qua temperatuur en het ergens bijvoorbeeld meer regent of sneeuwt. Op elke plek heeft een bodem dus een ander uiterlijk, net als jij en ik. Dit uiterlijk, alle laagjes horizonten op elkaar, noemen we een bodemprofiel. Bodemprofielen zijn vaak heel oud, doordat het erg lang duurt om een horizont te vormen. De bodem in Nederland is ongeveer 10.000 tot 15.000 jaar oud. Dit klinkt heel oud, maar is eigenlijk nog best jong in vergelijking tot andere bodems.

Factoren en Processen

Bodemprofiel

Hoe een bodem zich ontwikkelt, dat noemen we een proces. De factoren zijn de dingen die de bodem beïnvloeden tijdens het proces. Een factor dat vast staat is de grond die al aanwezig is, bijvoorbeeld zandgrond. Dit noemen we het moedermateriaal. Het moedermateriaal wordt vervolgens beïnvloed. Dit gebeurt door mensen, planten, dieren, de wind, de zon, de temperatuur en de neerslag (regen/sneeuw). Als het bijvoorbeeld heel lang niet regent, kan de grond uitdrogen. Een factor die de bodem dan beïnvloedt is neerslag, het uitdrogen van de grond is dan het proces.

Landschappen

In Nederland hebben we zes verschillende soorten landschappen. Deze landschappen zijn hier ontstaan door de verschillende factoren en processen op die plek. Heel lang geleden bestond Nederland uit alleen maar modder. Deze modder werd gebracht door de Noordzee en door de rivieren: Rijn, Maas en Waal. 10.000 jaar geleden werd er tijdens een ijstijd een hele grote ijsmassa over de modder heen geschoven. De ijsmassa was zo zwaar, dat hij de modder voor zich uit schoof en zo heuvels maakte. Deze heuvels zijn er nog steeds, dit zijn namelijk de stuwwallen op de Veluwe, in Overijssel en bij Nijmegen. Na deze ijstijd smolt het ijs. Nederland werd een koude woestijn, waar helemaal niks groeide. Hierdoor kon de wind hard waaien en blies dan ook een dikke laag zand over Nederland. Het werd weer warmer in Nederland en ook op de aarde. Hierdoor smolt nog meer ijs en de zeespiegel steeg. Doordat er nu zoveel zeewater was, werd Nederland vaak overspoeld. Het water bracht weer nieuw modder mee. Op veel plekken bleef het water staan, hier ontstonden moerassen. Op de kaart zie je goed het verschil tussen het laag en hoog gelegen land. Door al deze processen en factoren ontstonden er zes verschillende landschappen. Namelijk: veen-, rivier-, zeeklei-, zand-, duin-, en heuvellandschappen.

Veenlandschappen

Waar het water vroeger niet kon wegstromen ontstonden moerassen. Hierin groeiden veel soorten planten. Als deze planten dood gingen kwamen ze onder water te liggen. Onder water kan er geen zuurstof bij de planten komen. Zonder zuurstof kan een plant niet verteren. De dode planten zonken dus allemaal naar de bodem. Alle plantenresten op elkaar vormen een laag. Deze laag wordt steeds dikker. Deze laag heet de veensliblaag. Op een gegeven moment is de laag zo dik geworden dat het hele moeras is gevuld. Deze dikke laag is veen. Dit veen werd later gebruikt als brandstof om op te koken en de kachel mee te verwarmen. Het veen werd in plakken uit de grond gehaald. Vervolgens moesten deze plakken drogen. Als deze plakken droog waren konden ze goed en lang branden. Deze gedroogde plakken noem je turf. Veenlandschappen liggen vooral in Drenthe, Groningen en Zuid-Holland.

Rivierlandschappen

Deze zie je vooral in het midden van Nederland. Waar de Rijn, Waal, Maas en alle vertakkingen stromen. De rivieren brengen water vanuit Duitsland, België en Frankrijk naar de zee. In de lente smelt het ijs op bergen in Duitsland, Belgie en Frankrijk. Er stroomt dan veel water door de rivieren naar zee. Doordat er veel water tegelijk doorstroomt, overstroomt de rivier. De rivier treedt buiten haar bedding. Zo komt het land naast de rivier onder water. Na de overstroming zakt het water weer. Het water laat hier dan zand en klei achter. Klei heeft hele fijne korreltjes en is vaak vermengd met zand.

Zeekleilandschappen

Vroeger waren veel delen van Nederland onbeschermd tegen het zeewater. Deze delen werden vaak overspoeld met zeewater. Op deze plekken heeft de zee zeeklei laten liggen. Nu zijn er dammen en dijken gebouwd. Die voorkomen dat het zeewater het land in stroomt. Zeekleilandschappen zie vooral in Friesland, Groningen en Zeeland.

Zandlandschappen

Deze komen het meest voor in het oosten en zuiden van Nederland. Het zand is door de wind en de rivieren aangevoerd. In de ijstijd is dit zand op sommige plaatsen opgestuwd tot heuvels. Het duurden duizenden jaren voordat al het zand hier lag. Zand bestaat uit vrij grote korrels. Doordat het water er gemakkelijk in wegzakt, neemt deze ook alle voedingsstoffen mee. Zandgronden zijn dan ook niet erg vruchtbaar. Om er iets op te kunnen verbouwen moet je deze grond behandelen met mest.

Kustlandschappen

Langs bijna de hele kust zijn duinen. Deze duinen beschermen het lage land tegen de zee. Bij vloed staat het zeewater hoog. De zee neemt dan zand mee het strand op. De wind blaast dit zand verder het land in. In de duinen waait het minder hard en daalt het zand. De planten in de duinen houden met hun wortelen het zand op zijn plek.

Heuvellandschappen

De enige plek in Nederland waar we heuvellandschap hebben is in Zuid-Limburg. Deze heuvels zijn uitlopers van de Ardennen. De ondergrond bestaat hier uit kalksteen. Hierboven op lichte een laag löss. Lössgrond bestaat uit grotere korreltjes dan kleigrond. Maar kleinere korreltjes dan zandgrond. Löss houdt meer plantenvoedsel vast dan zand. Ook regenwater wordt beter vastgehouden. Daarom is het heel geschikt voor de landbouw.

Grondsoorten

Deze landschappen kenmerken zich vooral door de verschillende grondsoorten. In Nederland kennen we 4 grondsoorten. Namelijk: klei-, löss-, zand-, en veengrond. De grondsoort bepaald ook wat er op groeit. Op veen en kleigronden groeit gras goed. Hier zie je dus veel weilanden. Lössgrond is erg vruchtbaar. In Nederland groeit hier vaak graan en maïs op. Op veel zandgronden in Nederland groeit bos.

Links

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Bodem_in_Nederland&oldid=700561"