Romeinse politiek

Uit Wikikids
Naar navigatie springenNaar zoeken springen

Waargebeurd of Legende?

Over de vroege Romeinse tijd zijn weinig bronnen die te controleren zijn. Wat wij over die tijd denken te weten hebben wij vooral uit legenden. Daarom moet niet alles als waarheid worden gezien. Het Romeinse Rijk heeft drie perioden gehad met een ander politiek stelsel. Dit waren de koningstijd, de republiek en de keizertijd. Vooral over de koningstijd is de beschikbare informatie vooral op verhalen gebaseerd, over de latere tijd is meer betrouwbare informatie gevonden. Zo komen de hoeveelheid koningen(7) en de jaartallen iets te ideaal uit, deze zijn waarschijnlijk aangepast om mooier in de geschiedenis te passen.

De koningstijd

Volgens de legende waren er 7 koningen in Rome.

Romulus

De stad Rome werd volgens de legende opgericht door de broers Romulus en Remus. Deze legende is terug te vinden bij Rome. De stad is vernoemd naar Romulus, die zijn broer doodde. Hij werd ook de eerste koning van Rome. In zijn tijd was de stad nog niet zo groot, net als het leger. In die tijd waren er twee volken aanwezig in de buurt van Rome, de Latijnen(die bij Romulus hoorden) en de Sabijnen. De Latijnen hadden bijna geen vrouwen, dus besloot Romulus wedstrijden te organiseren, waarbij de Sabijnen mochten komen kijken. Tijdens de wedstrijden stalen de Latijnen de vrouwen van de Sabijnen. De Sabijnse koning Titus Tatius verklaarde daarop de oorlog aan Romulus. De oorlog verliep niet goed voor het volk van Romulus, maar de gestolen vrouwen waren van hun Romeinse echtgenoten gaan houden en sloten vrede tussen de twee volken. Titus werd medekoning en Romulus stelde een raad van ouderen in, de Senex, die hem in het vervolg zouden adviseren. Dit was de voorloper van de latere senaat. Van Romulus wordt gezegd dat hij niet is gestorven, maar door een wervelstorm is opgenomen in het godenrijk, als de god Quirinus.

Numa Pompilius

Het koningschap ging bij de Romeinen niet over van vader op zoon, deze werd gekozen. Het moest afwisselend een Latijn of Sabijn. De Latijnen en Sabijnen kozen de Sabijn Numa Pompilius, een wijze man. Hij voerde een reeks maatregelen in om voor vrede en saamhorigheid te zorgen. Zo zorgde hij ervoor dat de drie goden Jupiter, Mars en Quirinus werden vereerd, de dienst van Vesta en Fides en stelde hij gilden in voor handwerkslieden. Ook stichtte hij de groepen van de Pontifices die de hoofdverantwoording hadden voor godsdienstige zaken en de Saliërs, de priesters van Mars. Het was een wijze en vreedzame koning, in zijn tijd is er geen oorlog geweest.

Tullus Hostilius

Nog steeds betekent het engelse woord hostile vijandig. Deze Latijnse koning was dan ook een koning die van oorlog hield. Hij wilde bewijzen dat de Romeinen een sterk volk waren, dus wachtte op een aanleiding om een oorlog te starten. Toen een aantal mannen van het nabije Alba Longa vee van de Romeinen stalen, vielen de Romeinen de stad aan. In die tijd werd er vaak door beide partijen een kampioen gekozen, om zo verder bloedvergieten te voorkomen. De koning van Alba Longa was net overleden, er werd voor gekozen twee drielingen: de Romeinse Horatii en de Curatii uit Alba Longa. Twee van de Horatii sneuvelden al snel, maar de derde was zo slim om op een smalle brug te gaan staan, waardoor hij een voor een zijn tegenstanders kon verslaan. Hierna waren de Curatii verplicht de Romeinen in oorlog te helpen. Deze belofte kwamen zij niet na, waardoor hun stad werd verwoest. Tullus Hostilius bouwde daarna de ruimte voor de Senaat. Hij werd door zijn overwinningen te arrogant, waarop de goden een pestepidemie naar de stad stuurden. De koning bad naar de goden, maar Jupiter was te boos en doodde hem met een bliksemschicht.

Ancus Marcius

Ancus Marcius was de kleinzoon van Numa Pompilius en net als zijn grootvader een vredelievend en geliefd koning. De Latijnen buiten de stad werden daarom overmoedig plunderden de weilanden van de Romeinen. Ancus Marcius besloot dat het noodzakelijk was oorlog te voeren en versloeg de Latijnen, waarna hij de Janiculijnse heuvel aan de stad toevoegde. Ook stichtte hij net buiten de stad een kleine haven die uiteindelijk tot de havenstad Ostia zou uitgroeien. In die tijd was er een beschaafde bevolking, genaamd de Etrusken, die een groot aanzien hadden ten opzichte van de Romeinen. Ancus liet zich adviseren door een Etrusk, genaamd Tarquinius Priscus.

Tarquinius Prinscus

De zonen van Ancus Marcius waren te jong toen hij stierf, de Latijnen waren verslagen in de oorlog. Zijn adviseur Tarquinius Priscus werd de nieuwe koning van Rome. Hij was verantwoordelijk voor grote bouwprojecten, waarvan velen nu nog te bezichtigen zijn, zoals het Circus Maximus; een plek waar wagenrennen werden gehouden, het eerste riool van de wereld en het Forum Romanum. Dit forum zorgde ervoor dat alle politiek en handel nu een centrale plek had en maakte van Rome een echte stad. In het paleis woonde in die tijd een slavenzoon: Servius Tullius. Toen hij lag te slapen werd zijn hofd omgeven met vlammen. Tanaquil, de koningin, zei dat dit betekende dat hij voorbestemd was grootse dingen te doen, waarop het koningspaar besloot hem als erfgenaam te adopteren, waarmee ze hun eigen zonen passeerden. Tarquinius werd hierop vermoord door de zonen van Ancus Marcius, waarna de koningin Servius Tullius op de troon zette.

Servius Tullius

Servius stond bekend als goede koning, die veel hervormingen doorvoerde, zoals de volksvertegenwoordiging. Voorheen mocht alleen de adel meebeslissen over bestuurlijke zaken en over wie de koning werd, nu kregen ook de rijkste burgers stemrecht. Op basis van bezit kon iemand stemrecht verdienen, maar deze persoon moest ook de meeste soldaten leveren aan de stad. Ook bouwde Servius de eerste stadsmuur, de Serviaanse Muur. Servius was koning worden ten koste van de zoons van Tarquinius. Om hen tevreden te stellen gaf hij hen zijn dochters(beiden met de naam Tullia) tot vrouw. Zijn oudste dochter was eerzuchtig en trouwde met de goedaardige Arruns. De jongste was goedaardig en trouwde met de eerzuchtige Lucius. De oudste dochter en Julius werden verliefd en vermoordden Arruns en de jongste dochter. Daarna maakten zij Servius zwart in de senaat, wat ervoor zorgde dat het volk Servius vermoordde.

Tarquinius Superbus

Lucius werd de nieuwe koning en zou hierna Tarquinius Superbus heetten: Tarquinius de hoogmoedige. Tarquinius liet alle mensen in de senaat die Servius steunden verdwijnen, wat hem veel vijanden opleverde. Zijn zoon verkrachtte een vrome vrouw, genaamd Lucretia. Haar verwant, Lucius Junius Brutus, wilde wraak en zette toen Tarquinius op veldtocht was, het volk tegen hem op. Het volk sloot de poorten toen Tarquinius terugkwam, waardoor hij uit de stad werd verdreven. Tarquinius kwam terug met een leger van de Etruskische koning Lars Porsenna. De Romeinen vernielden de brug naar de stad, terwijl de moedige Horatius hem verdedigde. Hierdoor kon Tarquinius de stad niet innemen. Zij belegden daarna de stad, waardoor er erg veel honger in de stad was. Gaius Mucius, een dappere man, besloot het kamp van de Etrusken in te sluipen om de koning te vermoorden. Hij wist tot in de tent te sluipen, maar vermoordde de verkeerde man, de secretaris van de koning. De koning wilde hem straffen en dreigde met vuur en foltering, waarop Mucius liet zien daar niet bang voor te zijn, door zijn hand in het vuur te steken. De koning vond dit een zware straf, omdat Mucius niet daadwerkelijk de koning had vermoord, en liet hem gaan. Mucius had laten zien hoe dapper de Romeinen waren, hier was de koning bang voor en hij brak het beleg af. De Romeinen besloten hierna: Nooit meer een koning!

De Republiek

Volgens de verhalen werd Tarquinius Superbus verdreven in 509 voor Christus en begon toen de Republiek. In deze tijd was er in het oude Griekenland ook al sprake van Democratie. Aangezien Griekenland als een beschaafde cultuur werd gezien, wilden de Romeinen hier graag op lijken. Volgens Historici zal de Republiek in Rome later zijn ingevoerd. Na de verdrijving van de Koning wilden de Romeinen nooit meer 1 persoon met alle macht. Vanaf nu zou de macht in de handen van de Senaat liggen, die hiervoor alleen een adviserende rol had. Aan de leiding van de Senaat stonden twee consuls. Deze hadden beide Vetorecht. Veto is Latijn voor ''ik verbied''. Dit hield in dat beide consuls elkaars plannen konden tegenhouden, zodat een man nooit de volledige macht kon hebben. In 31 voor Christus ging de Republiek weer over in een alleenheerschappij, waarbij een man, de keizer de macht had. Dit gebeurde toen Octavianus keizer Augustus werd. Het grondgebied van de Romeinen groeide snel in de tijd van de Republiek. Dit zorgde ervoor dat het belang van het bestuur steeds groter werd.

Politieke en sociale structuur

De Republiek was democratischer dan het koninkrijk. Dit betekent niet dat iedereen mocht meebeslissen. Aan het begin van de Republiek lag de macht in handen van de Patriciërs. Dit was vergelijkbaar met de adelstand uit de Middeleeuwen: Rijke grootgrondbezitters, afkomstig van oude families uit Rome. Het gewone volk, het plebs, waren in hun greep. Zij bezaten weinig en besloten niet mee. De patriciërs bestonden uit ongeveer vijf procent van de bevolking. Zij hadden allen een stuk land, waarvan een deel voor hun eigen levensonderhoud gold. De rest verpachtten zij aan kleine boeren, die met dat land net genoeg verdienden voor de volledige wapenuitrusting van een legioensoldaat. Pas als je deze kon betalen was je een volwaardig Romein. De bevolking bestond voor 60% uit deze boeren. De rest van de bevolking bestond uit landlozen: Ambachstlieden, landwerkers of slaven. De Patronus, de landheer, had zeggenschap over zijn cliëntes, de boeren. Hij wees vaak aan op die zij moesten stemmen in de volksvergadering. De cliëntes konden een beroep doen op de patronus bij moeilijkheden. Omdat de plebejers, het gewone volk, in de meerderheid waren, wilden zij meer invloed. De patriciërs creëerden voor hen het ambt van volkstribuun. Deze vertegenwoordigde de plebejers in de senaat en had vetorecht. in 366 voor Christus werd er voor het eerste een plebejer als consul gekozen. Een deel van de plebejers had succes en kreeg meer rijkdom. Zij konden zich een paard veroorloven en werden de ruiters (equites) in het leger. De politieke vertegenwoordiging van de plebejers kwam altijd uit deze laag. Het verschil tussen de equites en de patriciërs werd steeds kleiner.

Klassenstrijd

Doordat het Romeinse Rijk sterk groeide moesten de soldaten steeds verder weg tijdens hun veldtochten. Dit zorgde ervoor dat de sterkste mannen, die nodig waren voor het zwaarste werk, lang van huis waren. Hun soldij was net genoeg om ter plaatse aan voedsel te komen, waardoor er niets naar hun familie ging. De patriciërs eisten grote stukken van de veroverde gebieden op, de boeren moesten het met steeds minder doen. Door de veroveringen groeide ook het aantal slaven, die steeds meer werden gebruikt door de grondbezitters, waardoor het gewone volk naar de stad trok, waar ook weinig manieren waren om aan geld en voeding te komen. Hierdoor groeide de macht van de patriciërs steeds meer. Veel senatoren zagen dit niet als een probleem, zolang zij maar rijker werden. Dit waren de Optimates. Enkele patriciërs voorzagen echter dat de achteruitgang van de boeren voor de ondergang van het Romeinse Rijk kon zorgen. Tiberius Gracchus, die vanaf 133 voor Christus volkstribuun was, pleitte ervoor de stukken land die na oorlog aan de patriciërs waren gegeven, aan de landlozen te geven, zodat zij hier op konden werken. Hij werd vermoord door de senatoren. Zijn broer probeerde het ook, maar verloor en pleegde zelfmoord. Het probleem kreeg nu wel aandacht, naast de Optimates waren er nu ook de Populares, de leden van rijke families die ook aan het volk wilden toegeven en hen meer ruimte, grond en macht wilden geven.

Burgeroorlog

De jaren hierna werden gekenmerkt door oorlog tussen de Romeinen zelf. De generaal Sulla was op veldtocht.Marius, die vroeger Sulla's meerdere was, was het er niet mee eens dat Sulla tot generaal was benoemd in de strijd tegen Mithradates. Hij liet zichzelf toen Sulla weg was benoemen tot de generaal, waarna Sulla terugkeerde en veel van Marius' aanhangers vermoordde. Toen Sulla op zijn beurt op veldtocht was, keerde Marius terug en richtte een bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla. Hierbij kwamen ook veel burgers om. Hij liet zichzelf benoemen tot Consul, maar stierf zeventien dagen later. Sulla was teruggekeerd en versloeg samen met Gnaues Pompeius de volgelingen van Marius. Hij liet zichzelf tot Dictator(alleenheerser) benoemen en stelde een beloning in voor mensen die ''verraders'' bij hem aangaven. Veel mensen, ook veel onschuldigen werden vermoord en hun bezit ingenomen. Ook begon hij de rechten van de plebejers in te perken. Sulla trok zich zelf terug uit de politiek, waarna Metellus en Pompeius de consuls werden. Na Metellus werd Crassus samen met Pompeius consul, zij draaiden veel van de maatregelen van Sulla terug. Tien jaar later waren er niet twee consuls, maar een triumviraat(trio) van Crassus, Pompeius en Julius Caesar. De bedoeling van een drietal was om een burgeroorlog tussen twee groepen te voorkomen. Dit ging mis, toen Crassus sneuvelde in een oorlog kregen Pompeius en Julius Caesar het met elkaar aan de stok, waarbij Julius Caesar aan het langste eind trok. Julius Caesar wilde zich laten uitroepen tot dictator. De senatoren vertrouwden hem niet en waren bang dat er weer een monarchie zou ontstaan, zo werd Julius Caesar volgens het verhaal, op Idus Martiae(de ides van Maart) met 50 messteken vermoord. Ook hierna ontstond een burgeroorlog, tussen de volgeling van Julius Caesar: Marcus Antonius en de adoptiefzoon van Julius Caesar: Octavianus. Deze laatste zou uiteindelijk winnen. Hierna liet hij zich benoemen tot eerste burger(Princeps), waardoor hij wel plek had in de senaat, maar hij daar het eerste recht op spreken had. Het was gevaarlijk om hier tegenin te gaan. Hiermee had hij eigenlijk de volledige macht in senaat. Ook kreeg hij het opperbevel over het leger en de priesters, waardoor uiteindelijk alle macht hem toebehoorde. Toch beschouwde hij zichzelf als een ''eerste onder gelijken'', meer een aanvoerder dan een persoon die boven de rest stond. Hij kreeg van de Senaat de titel Augustus, de verhevene. Augustus was de eerste erkende keizer.

Systeem

Consul was je voor een jaar. Je kon pas consul worden als je minimaal 40(patriciër) of 42(plebejer) jaar oud was. Je kon wel vaker tot consul worden gekozen, Marius is bijvoorbeeld zeventien keer consul geweest. Dit gaf uiteindelijk toch veel macht, in de meeste democratische samenlevingen van nu is er een limiet aan hoe lang een regerende macht de leiding kan hebben. Wanneer Rome in gevaar was kon iemand tot dictator worden verkozen, voor een half jaar, omdat er snelle beslissingen moesten worden genomen. Dit werd vaak uitgebuit. Als je in de senaat kwam, was dit voor het leven. Je kon echter jezelf niet opgeven, je moest ervoor gevraagd worden. Iedere staatsburger mocht deelnemen aan de volksvergadering. Dit werd door het groeien van het Rijk steeds moeilijker, waardoor de volksvergadering steeds zwakker werd en de senaat steeds sterker. De volkstribuun is de enige buiten de senaat die wetsvoorstellen kan indienen. Hij moet gekozen worden door het volk. Vrouwen deden niet mee in de senaat of de volksvergadering, dit was alleen voor mannen. De minimumleeftijd voor een senator was 31 jaar. Ook was er een minimum aan inkomen, naarmate het rijk en dus de rijkdom van het rijk groter werd, steeg deze eis. Op een gegeven moment was de minimum eis meer dan een miljoen sestertiën. Als iemand het eerste lid van zijn familie was die senator werd, werd hij—Homo Novus—genoemd.

Naast de senaat en de volksvergadering was er ook nog de magistraat, die voor nog meer spanning, maar ook meer evenwicht zorgde. De volksvergadering bestond aanvankelijk uit drie delen: De Comitia Curiata die werd opgedeeld in drie—tribi--, de Tities, Ramnes en Luceres. Deze waren elk weer in 10 curiae verdeeld. Daarnaast was er de Comitia Curiata, de burgerij en het Romeins grondgebied, opgedeeld in 21 tribi. Een—tribus—stond nu niet voor een groep mensen maar een bestuurlijk district(vergelijkbaar met onze wijken en gemeenten). De derde en belangrijkste vergadering was Comitia Centuriata. Deze vergadering werd opgedeeld in 5 klassen, gebaseerd op je rijkdom en 193—centuriae--. De centuriae bestonden uit 18 ruitereenheden, 80 eenheden zware infanterie, 90 eenheden lichte infanterie, 4 eenheden technici en musici en 1 eenheid bezitslozen. Elke centuriae was opgedeeld in twee helften, de—iuniores--, het veldleger, met mannen jonger dan 46 jaar, en—seniores—het stadsleger, met mannen van ouder dan 46. Deze—comitiia centuriata—had de meeste inspraak, zij stemden over wetsvoorstellen, oorlog en vrede, verkiezing van de hoogste magistraten en de criminele rechtspraak over staatsburgers. Hoe rijker de klasse, hoe zwaarder de stem woog.

De rollen hierboven en -onder waren een grote eer, maar kostten ook veel geld. Werken en spelen werden vaak uit eigen zak betaald. Daarom namen Romeinen die een lange politieke loopbaan hadden gehad vaak de rol van gouverneur of pro-consul op zich, in een van de veroverde gebieden. Hier konden zij hun rijkdommen weer aanvullen.

Magistraten

Officieel had de senaat een adviserende rol naar de magistraten toe. Door de groeiende macht van de senaat werden hun adviezen in de praktijk officiële besluiten.

Quaestor: De quaestoren beheerden de staatskas. Naarmate het Romeinse Rijk groeide, groeide ook het aantal quaestoren , dit waren er uiteindelijk tien.

Censoren: Dit waren vaak oud-consuls. Zij letten op het gedrag van de senatoren en volksvertegenwoordiging en konden het stemrecht van iemand afnemen. Zij letten ook op de openbare werken en gebouwen en hadden de verantwoordelijkheid voor de militaire keuring.

Aedile: Stonden tussen quaestor en censor in: Zij hielden toezicht op openbare zaken als ordehandhaving, markten zorg voor tempels en vooral de organisatie van publieke feesten. Aedile werden gekozen door de—comitia tributa--. vanaf 200 voor Christus verschafte deze rol direct toegang tot de Senaat.

Praetor: Dit was een rechter, die meningsverschillen en conflicten tussen burgers behandelde. Aanvankelijk was er alleen de—praetor urbanus--, die alleen tussen burgers rechtsprak. Daarna kwam er ook de—praetor peregrinus—bij, die ook over geschillen betreffende vreemdelingen sprak.

Lictor: Persoonlijke lijfwacht voor Romeinen met een hoog ambt.

Keizertijd

Het princeps, het eerste recht van spreken, was al langer in de senaat vastgelegd. Hierdoor was het normaal dat Octavianus deze macht had gekregen. Als keizer Augustus heerste hij over de langste periode van vrede die het Romeinse Keizerrijk heeft gekend, de—Pax Augusta--.

Historici delen de keizertijd op in twee delen: Het—Principaat--, waar de keizers het nog lieten lijken alsof er sprake was van een republiek en het—Dominaat—waar de keizers er openlijk voor uit kwamen dat ze absolute heersers of zelfs goden waren.

De keizer ontleende zijn macht voornamelijk door het opperbevel over het leger: Zolang het leger de keizer steunde, bleef deze in leven en aan de macht. De eerste, bekende keizers hoorden bij de Julisch-Claudische dynastie. Dit waren de eerste vijf Romeinse keizers.

Julisch-Claudische Dynastie

De dynastie heeft de naam doordat de vijf keizers allen uit de bloedlijn van de twee families van de—Julii—en—Claudii—kwamen.

Augustus

Hij was aanvankelijk alleen princeps, in de senaat. Hij wist steeds meer macht naar zich toe te trekken, zodat uiteindelijk alle macht in het rijk van hem was. Hij voerde veel bestuurlijke hervormingen door, maakte een einde aan de burgeroorlogen en zorgde voor vrede en welvaart. Hij was een geliefde keizer. Hij hervormde de provincies, stuurde een groot deel van het leger met pensioen en gaf hen land, creëerde nieuwe politieke posten en stelde centrale, directe en consequente belastingen in. Door de verovering van Egypte had Augustus de beschikking over veel vruchtbaar land en kostbare grondstoffen, die in Rome werden gebruikt door grote bouwwerken zoals de aquaducten. Daarnaast kon hij het volk tevreden houden met brood en spelen. Augustus concentreerde zich op het verstevigen van de grenzen van het Rijk. Net als tijdens de koningstijd ging het keizerschap niet automatisch door naar een erfgenaam. Augustus liet daarom in de senaat de belangrijkste taken aan zijn beoogde opvolger geven, zodat die op die manier aan de macht kwam. Dit was zijn adoptiefzoon Tiberius.

Tiberius

Tiberius was een sombere man, die de senatoren wantrouwde: Hij zag ze als lakse mannen die hem naar de mond praatten. Zodoende kwam hij weinig in de senaat en vertrouwde alleen zijn vriend—Seianus--, die zelf macht naar zich toe wilde trekken. Toen Tiberius er achter kwam dat Seianus hem bedroog, moordde hij hem en zijn bondgenoten uit, en zette een andere man, --Macro—op zijn plek. Door het verraad van Seianus vertrouwde Tiberius niemand meer en liet hij iedereen vermoordde waar hij aan twijfelde. Macro deed dit vaak ook op eigen handelen. Tiberius weigerde een opvolger te benoemen, omdat hij zeker wist dat deze al snel zou worden vermoord. Macro kwam in deze tijd in de gunst bij—Caligula—en overtuigde hem de macht van Tiberius over te nemen. Toen Tiberius stierf, was Caligula de enige logische opvolger.

Caligula

Er waren hoge verwachtingen over Caligula, die in de eerste zes maanden van zijn heerschappij zich geliefd wist te maken. Hij voerde belastingverminderingen in, liet verbannen senatoren terugkeren en liet vele spelen organiseren. Na een half jaar kreeg hij een zenuwinzinking, gevolgd door een hersenvliesontsteking. Ook verloor hij zijn geliefde zus, --Iulia Drusilla--. Hierna werd hij volgens de verhalen een krankzinnig en wreed leider, die tegenstanders, maar ook willekeurige senatoren voor zijn plezier liet ombrengen. Caligula wilde dat de heerser op gelijke voet stond met de goden. De joden, een minderheid in het rijk, weigerden hem als zodanig te vereren, wat tot veel conflicten heeft geleid. Ook heeft hij in zijn tijd de hele staatskas uitgegeven. Door aanklachten, belastingen en innemen van plunderingen probeerde hij deze weer aan te vullen. Caligula werd tijdens een grootschalige moordactie gedood.

Claudius

Claudius had zich volgens de verhalen verstopt tijdens de aanval op Caligula. Hij was de enige overgeblevene uit de Julisch-Claudische dynastie. Claudius zelf zag het niet zitten, maar werd door de praetoriaanse garde tot keizer uitgeroepen. Claudius werd tot voorheen als achterlijk gezien, omdat hij mank liep en stotterde. Toch stond hij bekend als de beste keizer uit de dynastie. Claudius vergrootte en verbeterde de overheid, waardoor het rijk beter werd bestuurd. Ook liet hij de haven van Ostia vergroten, wat de handel sterk verbeterde. Ook versterkte hij de greep op het zuiden van het huidige Groot-Brittannië, waarna hij de Rijn vaststelde als grens van het Romeinse Rijk. Zijn keuze in vrouwen werd uiteindelijk zijn ondergang: Zijn vierde vrouw haalde hem over haar zoon uit een vorig huwelijk te adopteren als opvolger, waarna zij hem liet vergiftigen.

Nero

De eerste vijf jaar van zijn heerschappij werden gezien als gouden jaren. Nero werd in deze tijd vergeleken met Augustus. Daarna interesseerde de politiek Nero niet meer en hield zich vooral bezig met zijn eigen hobby's, zoals theater, kunst en drank. Hij staat het meest bekend om de grote brand van Rome, waarbij grote delen van de stad verwoest werden. Er gaan grote verhalen over zijn betrokkenheid bij de brand, velen schreven dat Nero verantwoordelijk was, maar historici denken dat dit niet klopt. In de tijd na de brand heeft Nero veel werk gedaan om het leed te verzachten en verantwoordelijkheid genomen voor de wederopbouw. Het hielp niet dat hij in een verwoest deel het—Domus Aurea—liet bouwen, een enorm paleis voor de keizer. Hier stond ook een standbeeld van Nero van 40 meter hoog. Dit zorgde ervoor dat veel inwoners niet terug konden naar hun huis en stortte het rijk in een nieuwe financiële crisis. Al snel was er een complot om Nero ten val te brengen, waar hij achter kwam, waarop hij vele voormalige vertrouwelingen dwong om zelfmoord te plegen. Nadat de Romeinen in Judea een slag verloren, begon de Joodse oorlog, waarbij Joden en Christenen in het rijk vervolgd werden. Nero zou Christenen in olie laten dopen en in brand steken, om als verlichting te dienen tijdens zijn feesten. De senaat besloot Nero uiteindelijk af te zetten. Toen men hem kan arresteren stak hij zelf een mes in zijn keel. Na zijn dood was het rijk bankroet en in Chaos.

Vierkeizerjaar

In het jaar erna zouden vier verschillende keizers elkaar in snel tempo opvolgen en waren er verschillende burgeroorlogen. Hierna begon de Flavische dynastie. Hiervan was de bekendste Vespasianus, die het rijk weer stabiel maakte. Vespasianus stond bekend als zuinig. Het rijk had geen geld meer, waardoor hij met zuinigheid en hervorming ervoor moest zorgen dat dit verbeterde.

Na de Flavische dynastie kwamen de adoptiefkeizers.

Adoptiefkeizers en val van het Rijk.

Na de Flavische dynastie werden door de keizers getalenteerde mannen uitgekozen om hen op te volgen. Dit zorgde er consequent voor dat er capabele mensen aan de macht waren, zodat het Rijk een periode van rust, stabiliteit en bloei doormaakte. Onder de keizer -Trajanus had het rijk zijn grootste omvang. Het rijk omvatte toen het hele middellandse zeegebied, bijna heel Europa en grote delen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Marcus Aurelius was de laatste adoptiefkeizer, zijn zoon Commodus volgde hem op. Deze bleek een autoritaire keizer die met harde hand optrad. Hij werd al snel gedood en er brak een periode van verval aan. De grenzen van het rijk konden niet goed worden verdedigd tegen invallers. Na een pestepidemie waren er bijna geen boeren en slaven meer. Doordat het rijk zo groot was werd het steeds lastiger het vanuit een centraal punt(Rome) te besturen. Diocletianus had het rijk al gesplitst in een westelijk en oostelijk bestuursdeel. Constantijn verplaatste de hoofdstad van Rome naar Constantinopel(het huidige Istanbul). In 395 na Christus scheidden de twee helften definitief, waarbij Constantinopel de officiële hoofdstad bleef van het Oost-Romeinse rijk, wat nog meer dan 1000 jaar bleef bestaan. Het westelijk deel veranderde nog vaak van hoofdstad en viel uiteindelijk in 476 na Christus

In de tijd van Constantijn de Grote werd het Christendom de officiële staatsgodsdienst van het rijk. Daarvoor hadden de Romeinen de gewoonte om de goden van overwonnen volkeren op te nemen in hun Pantheon. Alleen de Joden en christenen vormden lang een uitzondering, omdat zij de keizer weigerden te vereren. Zij werden gezien als buitenstaanders en waren vaak het slachtoffer van vervolging. Voor de christenen kwam hier door Constantijn de Grote een eind aan.

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Romeinse_politiek&oldid=548247"