Middeleeuwse stad

Uit Wikikids
Naar navigatie springenNaar zoeken springen
Stap6.gifDit artikel is (gedeeltelijk) geschreven door Pabo-studenten van Hogeschool Utrecht en blijft in ieder geval staan tot de beoordeling is gegeven in februari 2019.Nuvola apps kwrite.png

De Middeleeuwse stad is in Nederland in de Middeleeuwen ontstaan, maar in Zuid-Europa een wederopbouw na de chaos en de neergang uit de tijden van de Volksverhuizing.

Van dorp tot stad

Vooral na de 11e eeuw konden steden opnieuw groeien en er konden nieuwe steden ontstaan. Het was rustiger geworden in Europa. Vooral het einde van de plunderingen van de Vikingen zorgden ervoor dat handel beter mogelijk werd. Nieuwe steden ontstonden op verschillende manieren, bijvoorbeeld dat ze bij het water of bij belangrijke wegen lagen. Ook bij belangrijke kerken bij handelsplaatsen en bij een kasteel werden steden gebouwd. De mensen van een stad betaalde zelf de stenen waar de muren van werden gebouwd. Daar van komt ook het spreekwoord een steentje bijdragen. Als een stad stadsrechten kreeg werd de stad zelfstandig. De stad was dan niet afhankelijk van het platteland eromheen. De muur om een stad is daarvan zichtbare bewijs. De inwoners van een stad werden burgers of poorters genoemd. De rust in een dorp werd bewaard door de schout en zijn rakkers. Burgemeesters en schepenen bestuurde de stad.

Indeling van de stad

Een middeleeuwse kaart van Maastricht

Hoe de middeleeuwse stad eruit zag, was natuurlijk afhankelijk van de bestuurders van de stad. De één wilde zijn stad anders inrichten dan de ander. Toch waren er een aantal dingen die je in elke stad terug zag komen.

Water

Bijna elke middeleeuwse stad werd gebouwd bij een rivier of kanaal. De stad was dan ook vaak ‘omsingeld’ met water. Die rivieren en kanalen waren belangrijk voor de handel. In die tijd werd namelijk vooral gehandeld via het water. Met schepen werden spullen van de ene naar de andere stad gebracht, zodat ze daar verkocht konden worden. Spullen van de ene naar de andere stad brengen kon natuurlijk over landwegen. Dit was alleen een stuk duurder en langzamer dan via het water.

Het water was ook belangrijk voor de bescherming van de stad. Via water kan je namelijk minder makkelijk een stad binnenvallen dan via het land. Voor sommige steden was water juist gevaarlijk, zoals voor Rotterdam en Amsterdam. Om die steden werd een dam gebouwd. Deze dammen zorgden ervoor dat het water niet de stad in kon stromen.

Huizen
Een middeleeuwse kaart van Utrecht
Een middeleeuwse kaart van Rotterdam.

Huizen hadden in de middeleeuwen 2 functies. Allereerst: een plek om te wonen. Naast wonen, werkten ze ook thuis. Er werd aan zogenaamde nijverheid gedaan. Nijverheid was het maken van een bepaald product van grondstoffen. Er waren heel veel verschillende soorten nijverheid, zoals: lakennijverheid (zij maakten bijvoorbeeld kleding), bouwnijverheid (zij bouwden bijvoorbeeld huizen), steenbakkerijen (zij maakten stenen voor bijvoorbeeld huizen en kerken), molenaars (zij verwerkten graan), smid (zij maakten allemaal dingen van ijzer en staal). Huizen hadden niet een bepaalde vaste plek in de stad. Op oude plattegronden zie je dan ook huizen overal en nergens staan.

Platteland

Het platteland bevond zich altijd buiten de stad, omdat het veel ruimte innam. Boeren verbouwden op hun land allerlei producten. De producten die zij zelf nodig hadden (om bijvoorbeeld te eten), hielden zij zelf. De producten die overbleven, verkochten zij bijvoorbeeld op de markt. Ze konden het ook aan mensen die in de nijverheid werkten verkopen. Zij konden de grondstof(fen) dan gebruiken om een nieuw product van te maken. Die nieuwe producten konden zij dan weer verkopen aan handelaren, die naar een ander land of andere stad voeren om het daar te verkopen. Ze konden het gemaakte product ook zelf op de markt verkopen.

Bescherming

Naast een plek vinden voor de markt, huizen en het platteland, was het ook belangrijk dat de stad goed beschermd werd! De stad kon altijd aangevallen worden door rovers of legers van een vijand. Daarom moest je altijd klaar zijn om de stad te beschermen. In de middeleeuwen beschermden ze de stad op meerdere manieren:

  • Stadsmuur: de stadsmuur werd om de stad heen gebouwd. Door de muur kon je alleen nog maar op bepaalde plekken de stad in (via een stadspoort). Zo kon niet zomaar iedereen de stad in komen.
  • Stadspoorten: de stadspoorten zorgden ervoor dat niet iedereen zomaar de stad in en uit kon. Als de stad bijvoorbeeld werd aangevallen, werden snel de poorten gesloten. Zo konden de vijanden niet de stad in komen. Ook ’s nachts werden de poorten gesloten.
    Een middeleeuwse kaart van Amsterdam
  • Valhekken: valhekken waren grote hekken die bij de wateringangen voor schepen hingen. Als ze wilden dat niemand meer de stad in kon varen, lieten ze de valhekken naar beneden vallen.
  • Uitkijktorens/-punten: op deze uitkijktorens of uitkijkpunten kon je al van ver aanvallers aan zien komen. Zo kon de stad zich op tijd voorbereiden om de strijd aan te gaan, bijvoorbeeld door de stadspoorten te sluiten.
  • Bruggen: om door de stadspoorten te komen, moest je vaak eerst over een brug (dat kan je ook zien als je op de plaatjes van de kaarten kijkt). Bij deze bruggen stonden soms wachters, die controleerden wie allemaal de stad in kwamen. Sommige bruggen konden zelfs open en dicht! Als de vijand er dan aan kwam, werden snel alle bruggen omhoog gehesen. Dan was het nog moeilijker om de stad binnen te vallen.
  • Schietgaten: schietgaten waren gaten in de muren van stadsmuren en uitkijktorens. Dit waren smalle gaten, die precies groot genoeg waren om doorheen te schieten, bijvoorbeeld met pijl en boog. Zo kon je makkelijk op de vijand schieten, maar de vijand moeilijk op jou. Door iets grotere gaten gooiden ze kokende olie of stenen op de vijand.

Gilde

Een gilde was een vereniging van mensen die het zelfde beroep uitoefenden. Vroeger als je in de stad een beroep wilde hebben, moest je lid zijn van gilde. Je werd eerst leerling bij een gildemeester voordat je zelf een beroep mocht uitoefenen. Na een tijdje werd je gezel. Als je je meesterstuk had gemaakt, kon je zelf meester worden. De leden van een gilde moesten zich aan veel regels houden. De regels van een gilde gingen over de plek waar je mocht wonen of werken. Maar ook over het gereedschap dat je mocht gebruiken en de tijden dat je winkel open mocht. Al het werk moest in de etalage gebeuren. Vrouwen mochten eerst geen beroep uitoefenen. Maar later mocht dat wel. Zij hielpen vaak hun mannen met het werk. Waneer de man dood ging, nam de vrouw vaak de zaak over. Ongetrouwde vrouwen waren diensters of winkeliers. Er was bijna geen beroep waar vrouwen niet in werkten. Maar ze verdiende veel minder dan mannen.

Kloosters, kathedralen en universiteiten

Onderwijs werd gegeven op kloosterscholen. Daar kon men leren lezen en schrijven. In toenemende mate werd dit overgenomen door de kathedraal. Er ontstonden kathedraalscholen, waar ook andere vakken werden gegeven, zoals wiskunde en sterrenkunde. Door deze kennis en wetenschappelijke onderzoeken, werd het mogelijk om steeds hogere en mooiere kathedralen te bouwen. De leraren in de kathedraal gingen zich in gildes groeperen en begonnen een universiteit. De eerste universiteit werd in 1088 in Bologna gesticht. De universiteiten werden vanuit de Rooms-Katholieke Kerk gestimuleerd. Het voordeel hiervan was dat ze redelijk onafhankelijk van de koning of de keizer konden werden. De op een na oudste universiteit van Europa, de Sorbonne Universiteit is genoemd naar Robert de Sorbon die begon met een theologische faculteit.

Schouten en schepenen

Schouten en schepenen bestuurde de stad. Zij verzonnen ook de staf die misdadigers kregen. Gevangenisstraffen deelde schouten en schepenen niet vaak uit, want dan moesten ze die verzorgen en dat koste geld. Lijfstraffen of zelfs de doodstraf deelden ze vaker uit. Een voorbeeldjes zijn:

  1. Er werd een touw aan het been gedaan met iets zwaars eraan en in de sloot gegooid.
  2. Hun armen en benen werden vast gebonden aan paarden en werden uit elkaar getrokken.
  3. Ze werden op de brandstapel gegooid.

Ook werden er boetes gegeven of mochten de misdadigers niet meer in de stad komen.

Marktdag

Iedere stad had verschillende markten. Je kunt dat in oude steden nog zien aan de straatnamen. Je vind namen zoals:

  1. eiermarkt.
  2. botermarkt.
  3. vleesmarkt.
  4. vismarkt.
  5. beestenmarkt.

De belangrijkste markt lag midden in de stad: de grote markt. Rond de grote markt werden gildenhuizen en de waag gebouwd. In de waag werd de handelswaren gewogen. In een belangrijke stad als Brugge stond aan de grote markt een lakehal met een toren: Het bijlfort. Een bijzondere markt was de jaarmark. Uit andere plaatsen kwamen kooplieden, artiesten, maar ook bedelaars en zakkenrollers op de markt af. De schout en zijn rakkers beschermde de mensen tegen dieven. Keurmeesters gingen rond om de kwaliteit van de dingen die je kon kopen te tjekken. Kooplieden reisde in groepen naar de jaarmarkt. Dat was veiliger. Omdat ze hun geld in kisten droegen, loerden er altijd struikrovers op hen.

Weetjes

  • De huizen in de middeleeuwse steden waren van hout en rieten daken daardoor brak er snel brand uit.
  • Doordat de huizen in de stad dicht op elkaar stonden verspreide besmettelijke ziekten snel.

Videoclips

Videolink Teleblik (Hiervoor is een gratis inlognaam nodig)

Bronnen

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Middeleeuwse_stad&oldid=560900"