Standenmaatschappij in de tijd van Steden en Staten

Uit Wikikids
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Merge-arrow.svg Iemand vindt dat de inhoud van dit artikel ingevoegd zou moeten worden in Middeleeuwen. Als de tekst wordt ingevoegd, wordt dit artikel een doorverwijzing.

Standenmaatschappij in de tijd van Steden en Staten 1000-1500

Het is het begin van de 11e eeuw. De tijd van Karel de Grote is voorbij en zijn grote rijk werd opgedeeld in drie delen. Het noordelijke deel waarbij, wat wij nu Nederland noemen, hoorde, maakte sinds 925 deel uit van het Duitse keizerrijk.

Standen

Cleric-Knight-Workman

De mensen leefden in een voornamelijk agrarische samenleving. Dit houdt in dat men vooral leefden van wat zij zelf maakten. Zoals boeren. Het grootste deel van de inwoners werkten op het boerenland. De dorpen bestonden uit meerdere gezinnen. De verschillen tussen de mensen waren groot. Er ontstond een standenmaatschappij. Een verdeling tussen de mensen. Bovenaan stond natuurlijk de koning. Daaronder kwam de geestelijkheid, dit waren de mensen van de kerk. Hieronder stond de adel en helemaal onderaan stonden de burgers. In deze middeleeuwse samenleving speelt de stand een belangrijke rol. Bij geboorte werd bepaald tot welke stand je hoorde, want als je ouders bijvoorbeeld van adel waren, dan werd je zelf ook van adel. De edelen probeerden in deze tijd steeds meer land te verkrijgen. Dit deden ze door erom te vechten of door met iemand te trouwen die ook land bezat. De edelen lieten de boeren voor zich op het land werken. Een deel van de opbrengst werd dan verkocht op de markt. Omdat er op kastelen van alles nodig was, ontstonden er allerlei beroepen/ambachten. De handelswerklieden en kooplieden gingen in de buurt van markten wonen. Zo ontstonden er steden. Vanaf 1000 werden de steden steeds belangrijker De scheepvaart en de handel namen toe en hierdoor groeiden de steden. De handel maakten de steden rijk. Dat bracht macht die ze gebruikten om zich tegen de adel te verzetten. De adel en geestelijkheid verkochten allerlei rechten, want ook zij hadden geld nodig. Tot in de 15e eeuw de macht van de steden groter werd dan die van de adel en de geestelijkheid. In de steden kregen de kooplui en ambachtslieden burgerrecht.

Geestelijkheid

Met de geestelijkheid worden mensen bedoeld die in en voor de kerk werkten. Bijvoorbeeld monniken, priesters, bisschoppen en nonnen. Deze mensen streden vaak samen met de mensen uit de adel om de macht. De geestelijken gaven de mensen een gevoel van hoop en troost bij moeilijke tijden. Ook beloofde zij voor mensen te bidden. De geestelijken vertelden de mensen dat god wilde dat mensen in verschillende standen leefden. De mensen van adel wilden graag de steun van de kerk hebben en in ruil hiervoor gaven zij grote delen land en hoefden de geestelijken geen belasting te betalen. De geestelijken waren ook de enigen die konden lezen en schrijven.

Adel

Iemand van adel kan een bijvoorbeeld een koning, prinses of hertog zijn. Deze mensen vormden de belangrijkste stand. Zij hadden zeggenschap over anderen. Grondbezit was in deze tijd het belangrijkste voor de adel. De adelen woonden in kastelen, gingen op jacht, hielden toernooien en belegerden in de tijd van oorlog de kastelen en de steden. De adel betaalde geen belasting en hoefde niet te werken. De adel was heel belangrijk. Men keek naar hen op. Ze hadden veel luxe. Zij bepaalden het bestuur van het land en maakten beslissingen als er oorlog was. Hun plicht was om de derde stand, de boeren, te beschermen. De adel waren ook leenheren. Een leenheer had veel grond en die leende hij dan uit aan een boer. Zo’n boer werd dan een horige genoemd, want hij hoorde bij de grond van de leenheer. De boer (horige) kreeg een gebied in leen. Een deel van de oogst ging naar de leenheer toe. Zo kwam de leenheer aan eten voor hem en zijn gezin. In die tijd was er nog niet veel geld en op deze manier kon de leenheer eten. De leenheer zorgde voor veiligheid van de boeren. Deze overeenkomst (Heer-horige) kon niet zomaar worden opgezegd en daarom ging het over op een volgende generatie. Dit noem je ook wel een feodaal systeem. De adel had als functie om het land en de mensen te verdedigen. Die taak werd uitgevoerd door ridders. De Ridder, een lagere stand binnen de adel, moest zwakkere mensen helpen en hij beschermde het land in tijd van oorlog. Ridder kon je worden via een opleiding die alleen zonen van de mensen van adel mochten volgen. Ridders die zich inzetten voor vorst (tag), worden beloond met een stuk grond dat ze mochten lenen. De zoons van een ridder groeiden echt op als ridders. Ze leerden al heel jong om paard te rijden, nog eerder dan dat kinderen tegenwoordig leren lezen. ’s Avonds werden er verhaaltjes verteld die over ridders gingen. Zo leerden de jongens al vroeg wat het betekende om een ridder te zijn. Wanneer een zoon 7 jaar was moest hij naar school om te leren om een ridder te worden. Hij leerde zwaardvechten en boogschieten. Rond zijn 14e verjaardag werd hij jonker genoemd en moest hij gaan werken als hulpje van een ridder. Na ongeveer 5 jaar werd hij dan zelf een echte ridder.

Hoorde je niet tot de adel of de geestelijkheid dan was het duidelijk: je hoorde tot de laagste stand van de maatschappij. Voornamelijk waren dit de boeren. Toen er later rond 1250 de eerste steden ontstonden, hoorden ook de stedelingen bij deze derde, laatste stand.

Boeren en burgers

De laagste stand was de burgerij. Voornamelijk waren dit boeren. Zij waren verdeeld in twee groepen. De vrijen en onvrijen De vrijen waren mensen die zelf beslissingen mochten maken. Ze hadden geen verplichtingen naar anderen, behalve naar de koning. Er waren ook halfvrijen dit waren de boeren die bij het land van de heer hoorden. De Horigen. Deze boeren leverden de oogst, bewerkte het land of hielpen bijvoorbeeld bij de aanleg van een weg. In de 13e eeuw ontstaan de eerste steden. De mensen die in de stad woonden hoorden ook bij deze laagste, derde stand. De meeste mensen bleven hun hele leven in de stand waarin ze waren geboren. Ze deden vaak hetzelfde werk als hun ouders en bleven op dezelfde plek wonen

Cultuur

Deze tijd heeft een beetje de reputatie van luilekkerland. Arme en rijke mensen waren dol op lekker en vooral heel veel eten en drinken. Bij bruiloften, kraamfeesten, feestdagen en zelfs bij begrafenissen. Zij vonden het vaak een goede reden om lekker uit te pakken. Ook het binnenhalen van de oogst was reden tot een flinke maaltijd. Groente werd weinig gegeten. Vooral veel vlees, vis en brood. Ze deelden drinkbekers met elkaar en gebruikten geen bestek. Ze aten met hun handen en veegden hun vieze handen af een het tafellaken. In deze tijd ontstaat trouwens ook het eerst handschrift in volkstaal, Hebban olla vogala.

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Standenmaatschappij_in_de_tijd_van_Steden_en_Staten&oldid=503798"