Index basiswoordenlijst groep 6

Uit Wikikids
Naar navigatie springenNaar zoeken springen

Basiswoordenlijst groep 6. Bron:

A

aan de hand van; aan de hand zijn; aanbreken; aanbrengen; aandacht; aandachtig; aandikken; aangeven; aankondigen; aankunnen; aanleiding; aanpassen; aanraking; aanreiken; aanschaffen; aansluiten; aap komt uit de mouw; aardig (mate); aardigheidje; aaseter; abstract; absurd; accent (klemtoon); accepteren; accessoir; accommodatie; achter de wolken schijnt de zon; achteraf; achterkamer; achterruit; achterstevoren; achterzijde; actief; ademloos toekijken; adviseur; afdak; afhaalmaaltijd; afhangen van; afkeuren; afkorting; afleiden; afleiding; afleren; aflezen; afrekenen; afschaffen; afscheid nemen; afschrijving; afslaan; afstemmen; afvuren; afwijkend; afzoeken; agressief; akkoord; algauw; algemeen; allemachtig; almaar; als de bliksem; als de kat van huis is dansen de muizen; amper; amuseren; angstaanjagend; antiek; apart; apenpakje; apparatuur; appartement; applaudisseren; arbeidsomstandigheid; armen uitslaan; armoede; artistiek; asociaal; attent; attentie (aandacht); avondklok; avontuurlijk

B

baden; bakboord; bakkebaard; bal (voet / hand); band; bazig; bedaren; bedeesd; bedelen; bedreigd; bedriegen; bedrukt (gezicht); beëdigen; beeldschoon; beenderen; beerput; beestachtig; begeleiden (muziek); begrijpelijk; begrip; begroten; behaaglijk; behandelen; behoren tot; bekend zijn; bekendstaan als/om; beker (prijs); bekken; bekleed met; bekvechten; belachelijk maken; belangstellend; beleefd; bemoedigend; bende; beoordelen; bepaald; beplakken; bereikbaar; bergachtig; beroepsgroep; beschermen; beschimmelen; beschrijving; beslist (zeker); besluiteloos; bespreking; bestemming; bestrijden; bestuderen; bestuur; betaling; betekenisloos; beteuterd; betrouwbaar; beugel; bevestigen; bevinding; bewondering; bezaaid met; bezetten; bezichtigen; bezienswaardigheid; bezigheid; bezwaar hebben tegen; bezweet; bieden; bij (drie bij vier); bij je positieven komen; bijbehorend; bijleggen; bijnaam; bijschrijving; bijvallen; bijwoord; binden; binnengaan; binnenlaten; binnenplaats; binnenstappen; binnenstebuiten; binnentreden; blijkbaar; blijken; bloederig; bloeien; bocht afsnijden; boeg; boeien; boeken verslinden; boekenwurm; boetseren; bolvormig; boodschapper; bout; bouwmaterialen; bouwwerk; bovenuit; bovenzijde; brabbelen; brandstichting; brevet; brompot; broodnodig; buis; buiten (zonder); buiten adem zijn; buitensluiten; buitenwijk; bundel

C

catalogus; chagrijnig; chatten; chillen; circuit; clublid; collage; collectie; collega; collier; combinatie; communicatiemiddel; communiceren; conditie; consumptie; contributie; controle; coupure; crisis

D

daarginds; dagdromen; dageraad; dagloner; dagtocht; dalen; dat is dat; dat is koffiedik kijken; date; de draak met iemand steken; de gebeten hond zijn; debiel; decennium; deelname; demonstratie; demonstreren; dichtdoen; dichten; dichtstbijzijnd; dienen; dienst; dienst hebben; diepte; dikke vrienden zijn; diploma; discriminatie; discrimineren; divan; documentaire; dode hoek; dodelijk; doek (schilder); doel (wat je wilt bereiken); doen alsof; doodschieten; door de bomen het bos niet meer zien; doormidden; doorvragen; doorzettingsvermogen; doorzoeken; dossier; dozijn; draadloos; drama; dreigen te; drentelen; driekwart vol; drietal; dromer; dromerig; druk; duister; duisternis; dumpen; dwaas

E

echoën; echter; een bestaan opbouwen; een bod doen; een daverend succes; een dienst leveren; een feestje bouwen; een gebaar maken; een gevoel overbrengen; een goedlopend verhaal; een handtekening zetten; een koekje van eigen deeg krijgen; een koud kunstje; een kreet slaken; een loopneus hebben; een nummertje trekken; een pak slaag krijgen; een product leveren; een rol spelen; een ster zijn; een sterk verhaal; een streek uithalen; een stuk of wat; eentonig; eenvoudigweg; eerder; eerste de beste; egaal; eigenschap; eindelijk; eindeloos; eitje (klusje); emotie; enig (een paar); enigszins; enquête; er de pest in hebben; er geen gat meer in zien; er vandoor gaan; ergens een handje van hebben; ergens een punt achterzetten; ergens iets van zeggen; ergens in trappen; ergens mee zitten; ergens op uitkomen; ergens over inzitten; ergens tegen aan knallen; ergens tegen optreden; ergens van opkijken; ergeren; ergernis; erin opnemen; ernstig; even groot als /groter dan; eveneens; evenement; evengoed; excursie; executeren; experiment; experimenteren; exploderen

F

fabrikant; fanfare; fastfood; fatsoenlijk; favoriet; feestvarken; feit; fel (licht); festival; figuur; figuurlijk; filatelist; filteren; financiën; finish; finishen; flonkeren; foeteren; fokken; fonkelen; forens; formulier; forum; fraai; frituurvet; frommelen; fuif; functie

G

gaaf (intact); gamen; gastvrij; gebed; gebruik; gebruik maken van; gebruiksaanwijzing; gedaante; gedragsregel; geen erg hebben in; geen hand voor ogen zien; geen kwaad kunnen doen; geestelijke; gegadigde; gehandicapt; geheel (totaal); gehoorzamen; gekkigheid; gekriebel; gelegenheid; geliefd; geliefde; gelijkenis; geluid uitstoten; geluidshinder; gemeenschappelijk; geneesmiddel; genieten van; genre; geprikkeld zijn; geruststellen; geschikt; getuigschrift; gevangen; gevoelig; gevolg; gezelligheid; gezelschap (groep mensen); gezet; gezichtsbedrog; gezichtsuitdrukking; gezinsleven; gierig; gif; ginds; glans; globe; gloed; gloeien; gluren; goedaardig; goedgemutst zijn; goedkeuren; graad; grafiek; graspol; grendel; grof taalgebruik; grootte; gros; grote ogen opzetten; gunnen; gunstig

H

halfvol; halsoverkop; handicap; handtekening; harteloos; hazenslaapje; hectometer; heffen; hel; helling; helmgras; hemel; hemel en aarde bewegen; herdenken; herstellen; het ergste vrezen; het hazenpad kiezen; het hemd van het lijf vragen; het hoogste woord voeren; hiernamaals; hijsen; hoe dan ook; hondenleven; hondenweer; hongertocht; hoofddeksel; hoofdingang; hoofdrol spelen; hoofdschuddend; hoog tijd; hoogseizoen; hoogst; hoop hebben dat; hoopvol; hopeloos; horizontaal; houden; hovenier; huisbaas; huishouden; huisregels; huiveren; hulpeloos; hulpmiddel; hulpvaardig; huren; huurwoning

I

identiteitsbewijs; idool; iemand / iets verwachten; iemand doordringend aankijken; iemand een loer draaien; iemand een rad voor ogen draaien; iemand ergens van voorzien; iemand gewend zijn; iemand iets verzekeren; iemand in de rede vallen; iemand in zijn kraag grijpen; iemand op de hielen zitten; iemand op iets aanspreken; iemand overtuigen; iemand uitschakelen; iemand vleien; iemand voor schut zetten; iets aannemen (geloven); iets afsluiten; iets bijhouden; iets door een roze bril bekijken; iets doorvertellen; iets gemeen hebben; iets niet nemen; iets niet pikken; iets opmaken uit; iets terecht vinden; iets uit zijn mouw schudden; iets voor de boeg hebben; ijverig; ijzig (koud); immers; in actie komen; in beslag nemen; in de loop van; in de put zitten; in de weer zijn; in de wolken zijn; in een mum van tijd; in een oogwenk; in een wip; in het algemeen; in het duister tasten; in het holst van de nacht; in het middelpunt van de belangstelling staan; in paniek zijn; in ruime mate; in 's hemelsnaam; in tegenstelling tot; in totaal; in trek zijn; in verband met; in weer en wind; in zicht zijn; in zijn blote bast; in zijn neus peuteren; in zijn schild voeren; indenken; indirect; informatiebron; informeren; ingaan; ingrediënt; inhalen; inhoudsopgave; inhuldigen; inleiding; inlichting; inlichtingen verstrekken; inlijsten; inlopen; inmiddels; innerlijk; inrichten; inrichting; inslaan; inslapen; insmeren; inspiratie; inspuiten; instorten; instructie; integendeel; intekenlijst; intens; interactief; interesseren; internationaal; intocht; intrekken; invoering; is eeuwen geleden

J

jaargang; je bezighouden met; je doel bereiken; je druk maken; je hart verloren hebben; je niet uit het veld laten slaan; je uit de voeten maken; joelen; jongleren; jubileum

K

kaft; kans; kant-en-klaarmaaltijd; kappen (stoppen); karaktereigenschap; karavaan; kat uit de boom kijken; kenmerk; kennelijk; kenner; kennis; kenteken; kern; keutel; kiemen; kieskeurig; kikkerbadje; kippeneindje; klaarspelen; klapstoel; klasse; klederdracht; kledingstuk; klemtoon; kluis; klusje; klusjesman; knipsel; knol; koe bij de horens vatten; koeienletter; kolom; komedie; kookpunt; koophuis; koorts; kopiëren; korst; kortom; kost verdienen; kostelijk; kostuum; krat; krioelen; kritiek; krokodillentranen; kruising; kruit; kruk; kudde; kunstig; kwaadaardig; kwaadheid; kwajongen; kwakkelen; kwestie; kwetsen; kwetteren; kwiek

L

lachen, gieren, brullen; lanceren; leed; leenwoord; leeuwendeel; leiden naar; leiding; lekkernij; lesrooster; letterlijk; leugenaar; levensecht; levensmiddel; lichaamstaal; liefhebber; liefkozen; liegbeest; liever gezegd; ligging; lijden; lijfstraf; lispelen; live; lokaal (plaatselijk); loodzwaar; loop naar de maan; lootje; loslaten; lot; lozen; lusteloos

M

maar liefst; maat is vol; maatregel; maf; makelaar; mankeren; manshoog; mascotte; massa; masseren; mat; maximaal; meeleven; meer; meerkeuzevraag; meidengroep; mekkeren; melodie; menen; menigte; met behulp van; met de hand; met een hoed in de hand kom je door het ganse land; met gespitste oren luisteren; met het blote oog; met open mond staan kijken; met opzet; met zorg; methode; middel om; middenstuk (verhaal); minimaal; minstens; misdaad; misdrijf; mishandelen; misvormd; model; modern; mokken; mompelen; monnik; montuur; monument; mosterd; motief (patroon); mottenbal; muiter; museumbezoek

N

naar mijn mening; naar voren treden; nabij; nabootsen; naderhand; nadruk; nakomen; narigheid; nationaal; nauwelijks; nauwkeurig; navigeren; nest; netwerk; neuriën; nieuwsgierigheid; nogal; nok; non; nooduitgang; noodzakelijk; nu breekt mijn klomp; nut; nutteloos; nuttig

O

offer; offline; ofwel; om de paar weken; omcirkelen; omelet; omheining; omleiding; omschrijven; onafscheidelijk; onafscheidelijk; onderdak; ondernemen; onderneming; onderscheiden; onderschrift; ondersteunen; ondertekenen; onderuitgaan; onderzijde; onduidelijk; onfatsoenlijk; ongedierte; ongeschikt; online; onsmakelijk; ontdekken; ontmoeting; ontsnapping; ontspanning; ontsteking; onverschillig; oog in oog; oorlogvoeren; op de achtergrond; op de hoogte brengen; op de hoogte zijn van iets; op de loer liggen; op de vlucht slaan; op de vuist gaan; op den duur; op een gegeven moment; op elkaar aansluiten; op het punt staan; op het puntje van je stoel zitten; op iemand zijn (verliefd); op je neus kijken; op kamp gaan; op komst zijn; op ooghoogte; op slag; op smaak brengen; op visite gaan; opbouw; opengebroken; openstaan voor andermans ideeën; opfleuren; opgelucht zijn; ophaalbrug; opheffen; ophoepelen; opkomen; oplage; opluchting; opmerken; opname; opnemen; oppikken; oproep; opschrift; opschudding; opslaan; opsomming; opsporen; opstand; opstellen; optocht; optreden; opvangen; opvatten; ordenen; organisatie; orthodontist; ouderwets; outfit; ovaal; over de rooie gaan; over de vloer; overdekt; overgaan in; overkomen; overlaten aan; overmoedig; overnachten; overnemen uit / van; overschrijving; overtuigd; overwegen

P

paard achter de wagen spannen; palet; pand; parabel; paragraaf; partner; paspoort; passend; pauzeren; peinzen; periscoop; personage; persoonsbewijs; persoonsvorm; perspectief (diepte); picobello; pienter; pinnig; piste; pizzeria; plaatsen; plan smeden; plechtig; plechtigheid; pleegkind; ploeteren; plooien; poging; polonaise; portefeuille; positie; pottenkijker; praktijk; precies; presentatie; presenteren; prestatie; prikkeldraad; printen; product; proefwerk; proesten; profiel; project; pronken; protest; prutsen; puist; puur; pyromaan

Q

quasi

R

raadselachtig; racket; radiator; radslag; ramp; rang; rauwkost; ravotten; razen; reageren; recept; receptie; rechercheur; rechtbank; rechter; recreatie; reeds; reeks; regen; reinigen; reisgids; relatie; religie; reparatie; respectloos; resultaat; rij; rijbewijs; rijdier; rijtjeshuis; roddelkous; rodelen; roedel; roekeloos; roepnaam; roet; rol (film); romantisch; rommelmarkt; romp (vaartuig); rondhangen; rondleiding; rooien; rookwolk; rottig; rotzooi; ruggengraat; rumoerig

S

sage; salade; samenleving; scannen; scenario; schadelijk; schakel; schakelen; schatten; schaven; scheldnaam; schema; schenken; scheppen; schijnen; schijnsel; schijnwerper; schildersezel; schilfer; schim; schokken; schoolbord; schoonzus; schraal; schrijfgerei; schuifwand; schuingedrukt; schuld; sciencefiction; score; scoren; servicekosten; signaal; sik; silhouet; skaten; slagzin; slalommen; slechte naam; slijmerig; slijmvlies; slijpen; slippen; slissen; slopen; slotzin; smaken verschillen; smeden; smeulen; smid; smokkelen; snackbar; snauwen; sneu; snoezig; snuffelen; snugger; sober; sociale media; somber; spaak lopen; spannen; spanning; specht; speciaal; specialisme; specialiteit; spelbreker; spetteren; speurtocht; spiegelbeeld; spiegelen; spieken; spion; spionage; spits; splitsen; spontaan; spoorloos; spotten; spraakgebrek; spreekwoord; spreiden; sprekend; spuitbus; stage; stagiaire; staken; staking; stand van zaken; stand-by; stappen; staren; statiegeld; statig; steeg; stembiljet; stemming; steunen; stichten; stichting; stilleven; stoeien; stoet; stofwolk; stollen; stoom afblazen; stopwoord; storing; stotteren; strafpleiter; stug; stuipen op het lijf jagen; stuk (artikel); stuurboord; supporter; surfen; synchroon

T

taai; taalgebruik; tabel; tablet; talent; tamelijk; tape; taxatie; te; teer; tegelpad; tegen de haren instrijken; tegenslag; tegenzin; tekenen; tekenfilm; telefoonboek; televisiegids; teller; tempel; ten einde lopen; tenminste; terecht; ternauwernood; terrein; terugkaatsen; testen; thriller; thuissituatie; thuiswedstrijd; tijd doorbrengen; tijd dringt; tijdbalk; tijdelijk; tijdsbestek; tijdsduur; tijdstip; tissue; toe zijn aan; toegang; toegangsbewijs; toegangsprijs; toelaten; toer (rondtocht); toerisme; toeval; toevoegen; toiletspullen; tol; tolweg; ton; tonen; toon; traceren; traktatie; trakteren; tranen met tuiten huilen; transplanteren; trappelen van ongeduld; treffen; trekpleister; trema; trilling; triomf; troetelnaam; troost; troosteloos; trouw zijn; tuimelen; turf; turnclub; tussenbeide komen; tutoyeren; twee onder één kap; tweede klas reizen; tweeling; twinkelen; typisch

U

uit alle macht; uitbeelden; uitbreken; uiteen; uiteinde; uiterlijk kenmerk; uitgave; uitgelaten; uitglijden; uitkering; uitkijken naar; uitmaken; uitschreeuwen; uitspraak (intonatie); uitsterven; uitvallen; uitverkoop; uitvoerig; uitvoering; uitzondering

V

vakbond; vallen op iemand; van aanpakken weten; van de vloer kunnen eten; van iets op de hoogte zijn; van pas komen; van voren af aan; vandaar; vastbesloten; vasten; veiling; venijnig; verbeelding; verbijsterd; verbinden; verbluffen; verboden toegang; verdorie; verdraagzaam; verdragen; verdrijven; verdringen; verduidelijken; verduisteren; vereenvoudigen; verfraaien; verfrommeld; vergadering; vergelijken; vergelijking; verhaalvorm; verhelderen; verheugd; verhoging; verhouding; verkering; verlammen; verlangen; verlegenheid; verlichten; verlossen; vermaken; vermoeidheid; verontwaardigd; verplicht; verpotten; verrichten; verscheiden; verschonen; verschroeien; verschuiven; verslag; versperren; verspreiden; verspringen; verstoren; verstrooid; vertaling; verteren; verticaal; verwaarlozen; verwachting; verwijten; verwonden; verwonderen; verzinnen; verzoeknummer; verzoenen; vetgedrukt; vierkante meter; viespeuk; vijandig; virtueel; vissen; vlak; vlekkerig; vloeistof; vlot; vocht; voegwoord; voeren; voet zetten op; voetstuk; voetzool; vol; vol zijn van; volgorde; volkomen; voltooid deelwoord; voltooide tijd; vondst; voor de rest; voor niets gaat de zon op; voor wat hoort wat; voor zich nemen; voorbijflitsen; voorbijschieten; voordoen; voordracht; voordragen; voorkeur; voorlichting; voorlopig; voornaam; vooroordeel; voorrang; voorruit; voorspellen; voorstel; voortzetten; voorzijde; voorzitter; vormen; vorst; vriezen; vrijblijvend; vrije tijd; vrijgevig; vrijstaand; vrijwel; vrijwilliger; vroeg bij zijn; vurig

W

waargebeurd verhaal; waarzegger; walm; wandelkaart; wandeltocht; wanhopig; wantrouwen; warmte; wat mij betreft; water naar de zee dragen; watermerk; waterskiën; webcam; weblog; website; weegschaal; weer terecht zijn; weerkaatsen; wegtrekken; wegvluchten; welkom heten; wenken; wereldwijd; werkelijk; werkstuk; werktijd; werktuig; werpen; wetboek; wezen; wijdbeens; wijden aan; wijs (melodie); wijsheid; wijsmaken; willekeurig; wimper; winkeldiefstal; winnen; winst; wirwar; witte doek; wonderlijk; woordkeuze

Z

zaaien; zakkenroller; zand; zappen; zat zijn; zeef; zet (duw); zeurpiet; zich aanmelden; zich aanpassen; zich beklagen; zich ergens vestigen; zich ergens voor opgeven; zich gedragen; zich iets kunnen voorstellen; zich inhouden; zich niet van de wijs laten brengen; zich richten op; zich verbeelden; zich verdedigen; zich verroeren; zich voortbewegen; zich wenden tot; zijaanzicht; zijlijn; zijn biezen pakken; zijn gezicht verliezen; zijn neus ophalen; zin (nut); zinloos; zitje (tuin); zo nodig; zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens; zonde; zonwering; zorgeloos; zuil (pilaar); zuiver; zuiveren; zwager; zwart van de mensen zien; zwijgen; zwijgzaam

Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Index_basiswoordenlijst_groep_6&oldid=556845"