Atletiek

Uit Wikikids
Naar navigatie springenNaar zoeken springen

Atletiek is een veelzijdige, individuele sport. Individueel betekent hier dat bij wedstrijden alleen het eigen resultaat telt. Een uitzondering hierop is de estafette, waar het resultaat van de 3 of 4 lopers telt. Als een atleet alle onderdelen doet, dan gebruikt deze daarbij bijna al zijn spieren.

Mensen die aan atletiek doen kunnen meedoen aan springonderdelen, looponderdelen (waaronder sprint) en werponderdelen. De jongere atleten doen meestal meerkampen op wedstrijden. Dit betekent dat ze meerdere proeven doen, daar kunnen ze punten mee verdienen die achteraf per persoon worden opgeteld. Wie de meeste punten heeft verzameld heeft gewonnen. De oudere atleten specialiseren zich meestal in één onderdeel, waar ze goed in zijn.

Deze sport wordt beoefend op een atletiekbaan. Dit is een ovaalvormige baan van 400 meter met daarbinnen de aanloopbaan voor speerwerpen, de verspringbakken, de hoogspringbakken, de kogelstootbakken, de poolstokhoogspringmat en de discuskooi.

Geschiedenis atletiek

Atletiekwedstrijden worden al bijna 3000 jaar georganiseerd. Ze vormden een belangrijk onderdeel van de Olympische Spelen, die vanaf 776 voor Chr in het oude Griekenland gehouden werden. De Olympische Spelen waren eigenlijk een eervol feest ter ere van de oppergod Zeus. De winnaars van de spelen kregen een olijfkrans en werden als sterren onthaald overal in het land. De stad gaf hun geld en de burgers overlaadden hen met geschenken. De atleten deden zonder kleren mee, omdat ze kleren alleen maar lastig vonden.

De onderdelen

Looponderdelen

Er is in het wedstrijdreglement vastgelegd wat de verschillende categorieën atleten moeten lopen. Soms wordt hier vanaf geweken, omdat indoor (binnen) vaak weinig ruimte is.

Sprint

  • 40/60/80/100/200/400 meter
  • 60/80/100/110/150/300/400 meter horden

Middellange afstand

Hier vallen alle afstanden onder tussen de 400 meter en de 5 kilometer.

  • 600 meter
  • 800 meter
  • 1000 meter
  • 1500 meter
  • 3000 meter

Lange afstand

  • 5000 meter
  • 10000 meter
  • Halve marathon op de weg
  • Marathon (42,195 km) op de weg

Estafette

Bij de estafette is het de bedoeling om met een groepje van 4 mensen een stuk zo snel mogelijk te lopen. Ze lopen bijvoorbeeld allemaal om de beurt dezelfde afstand, bijvoorbeeld 100 meter. Als de volgende persoon is geeft de ander een stokje over. Hieronder staan de estafette-onderdelen.

  • 3 x 60 meter estafette
  • 4 x 80 meter estafette
  • 4 x 100 meter estafette
  • 4 x 400 meter estafette
  • 4 x 800 meter estafette (komt weinig voor)
  • 4 x 1500 meter estafette (komt weinig voor)
  • Ekiden op de weg, een marathon in estafettevorm.
  • Zweedse estafette; 1e loper 400 m, 2e 300m, 3e 200m, 4e 100m.

Crossen

In de winter worden er buiten op de baan geen wedstrijden meer gehouden, omdat dit te koud is. De enige wedstrijden die dan nog gehouden worden zijn de cross- en indoorwedstrijden. Bij een crosswedstrijd lopen de atleten een langere afstand door het bos, duinzand of over open velden (dit wisselt per leeftijd tussen de 600 meter en 5, 10 of zelfs 15 kilometer. Het lopen van een cross is veel zwaarder dan het lopen van die afstand op de rondbaan van het atletiekveld.

Springnummers

  • Hoogspringen: Bij dit onderdeel moet je over een lat springen. Degene die het hoogst springt is de winnaar. Volgens de reglementen (regels) heeft iedereen 3 pogingen per hoogte. Wanneer drie keer achter elkaar de lat is gevallen, mag de atleet niet meer verder springen. Het resultaat van die atleet is de laatste hoogte die de atleet heeft gehaald (waar de lat er dus niet is afgevallen).
  • Polsstokhoogspringen (In België polstokspringen): Bij polsstokhoogspringen is het net zoals bij hoogspringen de bedoeling om zo hoog mogelijk te springen. Polsstokhoogspringen wordt echter met een polsstok gedaan. Hiervoor is dus een andere techniek nodig en kun je veel hoger komen. Polsstokhoogspringen wordt beoefent op een speciale mat (die veel dikker is en veel langer dan een normale hoogspringmat). Bij het polsstokhoogspringen loop je aan met de polsstok, bij de mat zet je de onderkant van de stok in een speciale bak. Door de snelheid van de aanloop en je afzet wordt je omhoog gelanceerd richting de lat.
  • Verspringen; Bij verspringen loop je aan over een aanloopbaan. Je zet af op het witte gedeelte van een speciale balk en probeert zo ver mogelijk te springen in de zandbak. Gelijk na de witte balk ligt een rode balk van plasticine, een soort klei. Deze rode balk mag je niet aanraken bij je afzet, raak je hem wel aan, dan telt je sprong niet.
  • Hink-stap-springen; Hink-stap-springen doe je op dezelfde baan als verspringen. De balk zit dan verder van de bak vandaan. De atleet zet bij die balk af, doet een hink, daarna een stap en springt daarna zo ver mogelijk in de zandbak. Ook bij het hink-stap-springen mag de atleet de rode plasticinebalk niet aanraken.

De werpnummers

  • Kogelstoten; Bij het kogelstoten moet de atleet een ronde, ijzeren kogel wegstoten. De kogel wordt vanuit een ring in een driehoekig veld gestoten. Je kan met een aanloopje stoten of uit stand. Des te ouder je bent des te meer kg weegt de kogel.
  • Discuswerpen: Het discuswerpen gebeurt vanuit een discuskooi. De atleet moet vanuit een ring een discus (een ronde, platte schijf) wegwerpen. Dit kan al draaiend of uit stand, des te groter je bent, des te beter je gaat gooien. De discuskooi is een hoge stalen constructie met een net erin ter bescherming van het de jury, het publiek en de andere atleten..
  • Kogelslingeren (in België hamerslingeren): Kogelslingeren gebeurt vanuit dezelfde discuskooi als hierboven staat. De atleet gooit hierbij een kogel aan een ijzeren draad zo ver mogelijk het veld in.
  • Gewichtwerpen: Gewichtwerpen gebeurt ook vanuit de discuskooi. Bij gewichtwerpen moet de atleet een (zwaarder) gewicht aan een kortere draad het veld in werpen.
  • Speerwerpen: Speerwerpen gebeurt vanaf een aanloopbaan aan de rand van het grasveld. De atleet moet een metalen speer vanuit het `afwerpvlak` in het veld gooien.
  • Hockeywerpen: Hockeywerpen is de voorganger van het speerwerpen. Hierbij heb je een plastic bal of tennisbal vast en werp je op dezelfde manier als bij het speerwerpen. Dit doen meestal de jongste benjamins/pupillen (6-11jaar), dit is minder gevaarlijk. Speerwerpen doe je dan vanaf de miniemen/junioren (vanaf 12jaar).

Leeftijdscategorieën

Binnen atletiek wordt er met leeftijdscategorieën gewerkt. Als er een wedstrijd gedaan wordt, dan doe je die wedstrijd alleen tegen mensen in je eigen categorie. De categorieën hebben in Nederland en België andere namen. Hieronder staat een schema.

Nederland België Geboortejaar
Master Master Vanaf 35ste verjaardag
Senior Senior 2000 t/m 1985
Junior-A Juniores 2001 en 2002
Junior-B Scholieren 2003 en 2004
Junior-C Cadetten 2006 en 2006
Junior-D Miniemen 2008 en 2008
Pupil-A Pupillen 2010 en 2010
Pupil-B Benjamins 2011
Pupil-C Benjamins 2012
Minipupil Benjamins 2013 of later

Atleten worden ingedeeld aan de hand van hun geboortejaar. Een atleet gaat naar de volgende leeftijdscategorie als het 1 november is. Dit is zo gekozen, omdat dan het nieuwe cross-seizoen begint. Anders zouden de atleten naar een nieuwe categorie gaan midden in het nieuwe cross-seizoen, wat niet de bedoeling is.

Wedstrijden

Er bestaan twee soorten wedstrijden, namelijk:

  • Meerkampen
  • Wedstrijden met 'losse' onderdelen

Meerkampen

Meerkampen zijn wedstrijden waar meerdere onderdelen plaatsvinden. Voor het beste resultaat per onderdeel krijg je punten. De winnaar is degene die meeste punten heeft behaald over alle onderdelen.

Pupillen (in België niet) kunnen alleen meedoen aan wedstrijden als ze een zogenaamde driekamp doen. Dit is een meerkamp waar je drie onderdelen doet, namelijk: Een sprintonderdeel, een werponderdeel en een springonderdeel. Vaak kunnen de atleten hierna nog een lange afstand lopen, maar die wordt niet samen gerekend met de andere onderdelen.

Voor Junior-D (Miniemen) en ouder zijn er ook grotere en andere meerkampen mogelijk, bijvoorbeeld: Werpdriekamp (alleen werponderdelen) en 4,5,6-kamp. De grootste meerkampen zijn de tienkampen, ook wel Decatlon genoemd. Deze wordt verdeeld over twee dagen.

Losse onderdelen

Voor Junior-D (België altijd) en ouder is het ook mogelijk om zich te specialiseren (bekwamen) in één of een aantal onderdelen. Voor diegene worden er ook wedstrijden georganiseerd waar je één of meer onderdelen kan doen. Er wordt dan per onderdeel gekeken wie het beste resultaat heeft.

Competities

Naast 'gewone' wedstrijden zijn er ook zogenaamde competities. Deze worden een keer per jaar gehouden. Per leeftijdscategorie komen atleten uit voor hun club. Anders dan met gewone wedstrijden tellen hierbij de resultaten van het team waarin de atleet meedoet samen. Ook wordt er een estafette gelopen. Door middel van een 'gebiedsfinale' en een 'finale' wordt de beste ploeg van Nederland/België gezocht. Bij pupillen is het ook mogelijk om zich individueel te klasseren, naast de ploegen (teams) die zich kunnen klasseren.

Er bestaat voor elke leeftijdscategorie een competitie, met uitzondering van de mini-pupillen en jonger (7 jaar en jonger). Zij kunnen meedoen bij de competitie van de C-Pupillen (Benjamins). Het is echter onmogelijk voor hen om mee te doen aan de finale als zij zich daar voor klasseren.

Externe link


Fodbold.jpg
Fodbold.jpg

Sporten

Balsporten · Watersporten · Wintersporten · Zaalsporten · Autosporten · Wielersport · Schietsport · Vechtsport · Atletiek
Olympische Spelen


Afkomstig van Wikikids , de interactieve Nederlandstalige Internet-encyclopedie voor en door kinderen. "https://wikikids.nl/index.php?title=Atletiek&oldid=580471"